16/09/2025
Mooie herinneringen💖
Hoe Tante Marie die ene Volendammer langzaam naar
‘De Volendammer’ leidde
Gepubliceerd: 25-02-2011
(bron Hoorn Gids Qwartjes Qwartiertje- Tekst Ko Boos )
In augustus 1987 bracht Qwartje een werkbezoek aan café De Volendammer. Hij verkeerde in het gezelschap van de flegmatieke Engelsman John Kelly, eermalig staffotograaf van The Beatles, en het Amerikaanse fotomodel Lynne Austin. Er moesten zo nodig foto’s worden gemaakt voor de Nederlandse Pl***oy. Tante Marie vond het goed. Toen Lynne uit de kleren ging vonden de stamgasten het ook goed. Het was na die shooting dat Qwartje tot tante Marie sprak en zei: “Marie: vroeg of laat ga ik over je schrijven.” De stamtafel schalde: “Dan mag je wel opskiete, skrèver! Hier doene elke week tien boeken gebeure.” Het zij zo. Hier volgt het eerste van een serie verhalen, regelrecht vanuit De Volendammer. Over hoe het allemaal begon.
Op dinsdagavond 20 november 1979 verscheurde tante Marie ten overstaan van haar bomvolle gelagkamer alle rekeningen van pofklanten over de laatste twintig jaar. Een vorm van natte ontwikkelingshulp die ongekend was binnen de Hollandse horecawereld. Zo zette ze haar 20-jarig jubileum als kasteleines van haar café aan de haven luister bij, en ging over tot de orde van de dag. Ome Dokie, die als inhalertje van het eerste uur verkleefd was met het vaste meubilair, legde een verbaasde vreemdeling uit wie die vrouw wel niet was: “Ze is onze Konegin! Tante Marie is zo roemjuchtig als de pest!” Hij sneed voorzichtig een plakje van zijn verse, bolstaande borreltje af, zakte terug in zijn stoel achter het hoektafeltje voor het raam, en liet uiterst vergenoegd het aanzwellend feestgedruis over zich heen lawaaien.
Roemjuchtig: dat was ze zeker. Dat ze in kromme lijn was afgebasterd van Johan Rudolph Thorbecke, grondlegger van ons huidige staatsbestel, zei haar niet veel. Ze droeg, vanachter de kist en vanuit de keuken, haar eigen staatsvorm uit. En die was uniek genoeg. Tante Marie was meer van de toenmalige slogan: ‘Koning, keizer, admiraal: Popla gebruiken ze allemaal.’ En dat schipper Willem IJsbrantszoon Bontekoe rond 1627 hetzelfde pand vanachter het uithangbord ‘In de Bonte Koe’ eveneens als kroeg liet uitbaten door zijn vrouw Eeltje Bruijns, ach… Nu was nu. Marie en haar man Bruining Kok, roepnaam Bruun, hadden het café destijds overgenomen van ome Karel Groenewoud. Die dreef de nering nog onder de naam “Het wapen van Amsterdam”. Daarvòòr heette het, onder ene Bakker, “’t Koetje’. Nu was het De Volendammer, en dat zou zo blijven.
Marie werd als Maria Wilhelmina Helena Kaasenbrood op 22 december 1915 in Velzen geboren. Toen ze tien was verhuisde ze naar Hoorn. Haar vader was iets hoogs in de hoogspanningsmasterij. Het gezin bewoonde het hoekhuis Gedempte Turfhaven-Achterstraat, tegenover hotel De Doelen. Marietje was, evenals haar zuster Truus, al vroeg ‘van de muziek’. Met schoenmaker/violist Cor Nannings vormden ze de kermisband Tex and Tex. Truus op de piano, Marie achter het drumstel. Ze speelden op de kermis van Ilpendam, toen daar vier Volendammers binnenstapten. Marie tikte Truus met ’n drumstick aan, en zei:
“Zie je die ene Volendammer?”
Truus: “Die magere?”
Marie: “Ja.”
Truus: “Wat is daar mee?”
Marie: “Daar ga ik mee trouwen.”
Ze was achttien jaar, zag ‘die Volendammer’ voor het eerst, maar was vastbesloten. “Ik wou ‘m, en ik zou ‘m”, zou ze later eens omstandig aan Qwartje uitleggen.
Marie regelde voor de volgende week bij hoog en bij laag een optreden in Volendam. Aldus geschiedde in de eerste uitspanning op de Dijk, zijnde café Motje. Raak. Daar zat Bruun Kok, met zijn bloedvriend De Toren. De volgende week drumde Marie in Schardam. En wie kwam daar, lopend vanuit Volendam, op af? Bruun Kok and friends. Nou ja: toen hadden ze dus verkering. Bruun vaarde met ‘De Blauwe Vogel’ op Marken. Een toeristisch heen-en-weertje dat ’s zomers aardig geld opleverde. Hij had Marleen Pitriet (Marlène Dietrich) nog eens aan dek gehad. ’s Winters lag de vaart stil. Dan was Bruun platzak.
Op 16 april 1936 werd er in Hoorn getrouwd, bij Wijnstok op Het Hoofd. Ze gingen wonen in Volendam. Marie zag de eerste week geen loonzakje. De tweede ook niet. Ze ging, samen met Tinie Aay en Henk Droste, weer de muziek in. Vrijdag, zaterdag en zondag optreden voor 25 gulden de man. Een wereldgage. Na ’n paar maanden was ze zwanger. Het was het Pilloze Tijdperk, en de vrouwen van haar Roomse generatie betoonden zich ongemeen reproductief. Marie Kok-Kaasenbrood heeft, met twee miskramen en ’n gestorven kindje mee, in totaal veertien keer gelopen. Elf kinderen. Niet uitzonderlijk. Vrouwen werden in die tijd wel eens vergeleken met een Naco-bus; er zat altijd wel volk in. Achtereenvolgens gaf ze leven aan Bruining (Bruin), Ruud, Jan, Leen, Bruining (Ben), Lyda, Peter, Jeanet, Gerard, Lidy en Truus.
Bruun Kok wilde wel werken, maar er wàs geen werk. In de Grote Havensteeg van Hoorn stond een groot café leeg. Marie en Bruun pachtten dat voor 6 gulden in de week. Belachelijk veel geld. De vloer werd mooi bruin gemaakt met koffiestroop. Behang van ’n duppie de rol. De brouwerij Bavaria kocht zich in met een inventaris. De bedoening heette direct al De Volendammer. De eerste klant was Cor van der Gracht. Hij had een gulden. Die moest worden gewisseld bij bakker Smit. Ze verkochten zeven Lager-biertjes voor ’n gulden, en twee pilsjes voor ’n kwartje. Sterke drank was er nog niet. Krabben en bijten, maar het liep. Soms kwam er een groot jacht in de haven, met rijke patsers van de KLM. Die wilden in De Volendammer wel wat stukslaan. Bruun Kok floot dan snerpend op z’n vingers richting Roode Steen. Daar hingen altijd zo’n honderd werklozen rond. Die kwamen dan aangesneld. Geen geld, maar wel van de natte lip. Die jaggiesmensen verteerden dan zomaar voor ’n paar honderd gulden. Dan kon je de winter weer door.
De zaak ging al met al, mede door de malle fratsen van die Volendammer, lopen als ’n tiet. Heineken kreeg dat door, en kocht zijn biermerk in voor een briefje van duizend. Een biljet van duizend gulden! Goedverrrdòeme… Dat had nog nooit iemand gezien. Bruun Kok hing het overdag tentoon tegen de spiegel achter de kist. Dat trok klanten, die er naar kwamen staren. ’s Nachts lag het onder zijn kussen. Maar ja: toen volgde de grote Kladderadatsch. Oorlog. Dan kun je de tent wel sluiten. Deden ze ook. Terug naar Volendam. Woninkie boven de kruidenierszaak van Bruun’s broer. Ze bleven achttien jaar in het palingdorp. Het nest ritselde dag en nacht van de kinderen, en Bruun werkte zich het apelazarus om de open bekkies te vullen. Uit die barre tijd stamt zijn bijnaam Pilika. Volendams voor: pelikaan. Een vogel die in straffe tijden zijn eigen borst open pikt om z’n jongen zijn eigen bloed te laten drinken. Uiteindelijk raakte hij aan de gang bij Draka in Amsterdam. Dertig gulden in de week, plus kinderbijslag. Hè hè… Lucht.
Marie was de handelsgeest van het stel. Eentje ook, die vooruit dacht. Ze koesterde zo haar plannen, en stuurde haar dochtertjes Jeanet (10) en Lidy (7) naar de nonnen in Oegstgeest. Waarom? Omdat ze netjes, verstaanbaar moesten leren praten. Het Volendams dat ze
uitkraamden stond voor de rest van de wereld gelijk aan Russisch. En de meiden vormden pionnetjes op het schaakbord van Marie’s toekomstplannen. Die plannen kregen contouren toen ze Bruun op een zondagochtend meetroonde naar de haven van Hoorn. Effies anzitten met ome Karel Groenewoud van ‘Het Wapen van Amsterdam’. Die was 84. Of het niet eens tijd werd? En wat vroeg-ie? Nou, ome Karel vroeg 10.000 gulden goodwill. Het bij het café behorende huis had-ie al aan Heineken verkocht. Mooi. Bruun Kok in z’n beste Volendammer kostuum naar Heineken in Amsterdam. Daar kreeg-ie warempel zó die 10.000 gulden mee, en een contract. Op 19 november 1959 begonnen Bruun en Marie Kok café De Volendammer aan de Hoornse haven.
En toen brak er een leven aan dat honderdmaal bruiner zou worden dan de voornaam van de eigenaar.