01/06/2026
Vaste gasten van de maand
Dubbel interview!
Tommie Thomas en Nana van Dort
Januari 1945 en april 1952
Tommie: “Ik kom uit een nest van zeven kinderen, als vijfde kind. Ik ben geboren in het Wilhelmina gasthuis in Amsterdam. Mijn ouders woonden toen in West. En op mijn 9e jaar zijn we hier op de Westerstraat komen te wonen, met mijn ouders en het hele gezin. Ik was 3 maanden toen de oorlog voorbij was. De oorlog was voor mijn ouders een hele hoop ellende geweest in die zin dat mijn vader heel goed zorgde het gezin, hij deed van alles en nog wat, maar mijn moeder is van Joodse afkomst. Dat is wel een probleem geweest, niet zozeer voor haar direct maar wel voor haar familie. Ze had 10 broers en zussen en die hadden ontzettend veel naars meegemaakt. Mijn moeder was niet vol Joods, alleen haar vaders kant. Maar er was natuurlijk wel veel angst. Mijn grootmoeder was bang dat de Duitsers op een gegeven moment ook alle half Joodse mensen mee zouden nemen. Ze zijn er voor de rest wel redelijk goed doorheen gekomen.
Ik heb toen 15 of 16 jaar op de Westerstraat bij mijn ouders gewoond, daarna ben ik op mezelf gaan wonen. Op een gegeven moment ben ik naar P.C. Hooftstraat gegaan, waar ik toen ook werkte. Hier heb ik 22 jaar gewoond. Daarna kon ik een huis krijgen hier in de Palmstraat. Na 12 jaar moesten ze daar renoveren want de leidingen waren niet goed. Ik kreeg toen tijdelijk een huis aangeboden in de Westerstraat, daar woon ik nu nog steeds, al 12 jaar. Al mijn broers en zussen wonen ook nog in Amsterdam en Amstelveen. Ik ben wel een Jordanese maar ben daar niet heel erg op georiënteerd. Dat gebeurt gewoon. Iedereen kent iedereen. Toen ik naar de P.C. Hooftstraat ging ben ik het contact met de buurt ook wel kwijt geraakt. Ze herkennen mij dan nog wel allemaal, zo van ‘oh daar is die van die en die’, van Thomas (mijn vader). Net als in een dorp. Ik hoor nu ook nog van Wil, onze buurvrouw die hier ook komt en vriendinnen was met mijn moeder: “Oh ik zag je altijd door het raam aan komen rijden in je Porsche en je zag er altijd zo mooi uit!” Hahaha!”
“Ik heb 22 jaar bij de modeontwerpster Fong Leng gewerkt…” Nana: “Jullie hebben ook een poster van haar hier hangen!” Tommie: “Nana nou moet je niet steeds ertussendoor gaan als ik praat want dan raak ik de draad kwijt...” Nana: “Ik ga mijn mond houden nu.”
“Bij Fong Leng deed ik de verkoop. Zij vond me wel leuk en ik kreeg een relatie met haar. Ik reisde ook met de collectie en ik deed de zaak waar ik dus ook boven woonde. Heel chique! Heel decadent haha! Vooral in de zeventiger jaren. Na 22 jaar ging Fong Leng failliet en toen vroeg een vriend van mij of ik bij hem wilde komen werken. Bij restaurant Le Garage van Joop Braakhekke in de Ruysdaelstraat, daar heb ik ook 8 jaar gewerkt.”
Nana: “Ik ben geboren op de Lauriergracht, hoek tweede Laurierdwarsstraat. Ik heb op de Elandsstraat op school gezeten. Daarna ben ik naar de mulo gegaan in de Da Costastraat. Mijn ouders hadden een koffiehuis op de hoek van de Looiersgracht, wat nu Festina Lente is. Dat was ons gezellige hoekje, daar is niets aan veranderd! Wij gingen ’s morgens om een uur of 7 open. Ik ben enig kind en mijn vader werd ziek dus op een gegeven moest ik én school én het koffiehuis samen met mijn moeder doen. Ik kom dus wel uit een horeca gebeuren. Toen heb ik de mulo afgemaakt en ben ik eigenlijk een beetje gaan zwerven. Ik was nog geen 16 toen ik uit huis ging wegens omstandigheden thuis.
Ik was altijd al gek op kinderen. Ik riep: “later als ik groot ben neem ik vier kinderen van een donkere man” want ik hield niet van melkboerenwit! Mijn leven is heel anders gelopen dan dat. In die tijd was het nog helemaal niet een mogelijkheid om kinderen te krijgen door donor of dergelijk als je met twee vrouwen een kind wilden. Ook was mijn leven erg rommelig, ik had nooit eigen spullen en logeerde hier en daar: bij een vrouw met twee kinderen, bij een vriendin en dan weer bij Olga achter de hoerenkast op een matras op de grond. Ik had toen veel bijbaantjes en veel in de horeca… Ik vraag me nu wel eens af hoeveel banen en adressen ik heb gehad. Ik deed toen maar wat.
Ik was misschien 18 dat ik bij de San Remo ging werken, dat was heel bekend en dat was naast Van Dobben. Daar speelden Johnny Meijer en Manke Nelis. Dus dat was allemaal levende muziek, dat was helemaal geweldig. Ik ben daar uiteindelijk weggegaan omdat ik geen huis had. Ik woonde in, dat noemden ze toen: “het hotel”, maar het was een soort logement op het Rembrandtplein boven de Porte d’Ore. Daar om de hoek had je de Moulin Rouge, dat was op het Thorbeckeplein, dat was een nachtclub en daar werkten allemaal meiden van allerlei nationaliteiten, danseressen en animeermeiden. Die sliepen ook allemaal in dat logement. Ik had gewoon een kamer met een wastafel en een kast en een eenpersoonsbed en dat was het. Ik vond het wel gezellig maar het was een leven… de San Remo was open van 20:00 uur tot 1:00 en dan gingen we de nacht door. Je had de Femina, de Serazade en je had nog Club 13 dat ging de hele nacht door. Ik ontbeet op het Rembrandtplein, ik at op het Rembrandtplein, ik bracht mijn kleren naar de stomerij op de Vijzelstraat en die werden dan in een uur gestoomd en dan ging ik weer werken. Het was een rotzooitje eigenlijk. Ik kreeg uiteindelijk een baan aangeboden waarbij ik boven kon wonen en ben toen vertrokken van San Remo.
Toen ik 25 was kreeg ik via via een halve woning op de Bilderdijkstraat en daar heb ik 40 jaar gewoond. Ook toen werkte ik nog veel in de horeca en ik heb 12 jaar op de markt gestaan.
Ik wist altijd al dat ik op vrouwen viel. Ik was verliefd op de juffrouw. Ik heb nooit enige hinder ondervonden om mijn liefde voor vrouwen te laten merken, niet op mijn werk, nergens. Als ik een vrouw ontmoette die ik leuk vond dan ging ik gewoon met haar dansen. Het was nooit een issue.
Mijn eerste vriendin was niet een hele goede keuze, ze was getrouwd en had een kind. Dus dat is een langdurige strijd geweest.
Tommie: “Ik wist ook al altijd dat ik op vrouwen viel. Ik had toen ik klein was wel vriendjes uit de Jordaan waar ik mee speelde, maar ik had al heel snel wel een vriendin. Maar mijn vader vond het wel heel erg. Hij wilde er alles aandoen om mij maar weer normaal te krijgen. Hij zei tegen mijn moeder altijd: “Ja wie moet er dan voor haar zorgen als ze geen man heeft?” Dat is echt een paar jaar een strijd geweest. Gelukkig hebben mijn broers en zussen me wel altijd gesteund. Ik mocht nooit alleen uit, maar dan zei mijn zusje “ik ga met Tommie uit!” En dan ging zij de ene kant uit en ik de andere. Mijn eerste vriendin was wat ouder en daar wilde hij niets van weten. Maar toen ik met Fong Leng thuis kwam sloeg hij plotseling om als een blad van een boom, waarom weet ik niet. Hij was gek op haar.
Nana: Tommie en ik kenden elkaar eerst alleen van gezicht, van het uitgaansleven en de buurt. Tommie was toen met Fong Leng, het type dat wanneer zij binnenkwam, iedereen moest wijken. Ik was toen een meisje dat van alles deed. Ik had toen een vriendin, Rachelle, die met kind en man. De Yab Yum, een chique bekend bordeel op ’t Singel, zocht toen een kamermeisje. Dat leek me wel spannend en avontuurlijk en toen reed ik met Rachelle naar de Yab Yum. De eigenaar zei nog: “Ik heb ook andere functies hè.” Maar ik wilde gewoon kamermeisje zijn, dat leek me spannend zat. Ik heb daar anderhalf jaar gewerkt. Dat was onderling met die meiden heel leuk. We hadden toen op 21 juni een zomerfeest en iedereen moest in het wit gekleed. Ik was toen nog met Rachelle. Ik was toen heel goed bevriend met de eigenaar, zijn vrouw en diens zuster en ouders. Zij zaten toen aan de overkant van de bar en ik nam een foto van ze. 25 jaar later, toen Tommie en ik al een relatie hadden, zag zij die foto in mijn agenda en vroeg: “Hoe kom jij aan die foto?” Wie blijkt daar op die foto te staan? Tommie staat op die foto samen met Imca Marina, een bekende zangeres en een vriendin van Tommie. Dat is toch niet normaal!
Later, toen ik al die verschillende baantjes beu was, heb ik mijn marktvergunning aangevraagd en ben ik op de markt gaan staan. Fong Leng woonde toen op de Houthavens en die kwam elke zaterdag bij mij en dan gingen we daarna nog wat drinken bij de “Kat in de Wijngaert.” En toen had ze grote witte T-shirts nodig voor Tommie want ze was toen ziek. En toen kwam Tommie een keer met Fong Leng en toen zei ze, Tom je moet een keer mee gaan naar het vrouwencafé “Viva la vie.” Daar werkte ik op vrijdagen.
Toen kwam Tommie elke vrijdag langs. Tommie vroeg me altijd mee uit na mijn werk. Zij had geen relatie meer. Ik weet ook nog wel dat ik stond en Tommie zat op een barkruk. Ze legde haar hoofd op mijn borst en zei: “even liggen.” Ik zat toen nog in die relatie van 8 jaar dus ik probeerde het af te houden, maar met Tommie bleek het toch sterker dan met die andere relatie.
We waren later op een boot op het Prinsengracht concert en toen we allemaal van de boot gingen brak Tommie haar enkel. Toen zijn we alsnog de hele nacht door gegaan. Op hoge hakken. Door de alcohol had ze het allemaal niet zo door. De volgende ochtend naar het ziekenhuis. Tommie woonde bij haar zuster op 3 hoog. Ik woonde op één hoog. Dus vanaf dat moment bleef ze bij mij. Samen hebben we 7 jaar op 30 vierkante meter op de Bilderdijkstraat gewoond. Daar hebben we wel een Oscar voor verdiend vind ik. 2 vrouwen, 30 vierkante meter!
Ik betaalde daar maar 37 gulden huur. Maar het was erg heet in de zomer. We noemden het Vondelpark onze tuin want we zaten daar de hele dag, vluchtend voor de hitte. Ook kwam er een New York Pizza onder mij dat was de druppel, toen wilde ik verhuizen. Toen kreeg ik het hofje aangeboden op de Rozengracht.
Tommie: Ik heb wel een heel mooi huis. Een groot penthouse op de 4e etage met lift en al. We wonen niet samen maar hebben het beste van twee werelden. Nana woont op de Rozengracht met uitzicht op de binnentuin en ik dus hier. Als het heet is zijn we vaak bij Nana. We zijn wel heel veel samen. Na Corona ben ik ziek geworden en toen heeft Nana zich veel meer over mij ontfermd dan normaliter de gang van zaken was.
Nana: Toen ik net met Tommie was heeft ze mij het eerste jaar nog een beetje meegeholpen op de markt met de verkoop. Daar was ze heel goed in. Maar alles wat eromheen hangt, ’s morgens inladen en ’s avond uitladen, in de winter iets minder aangenaam dan in de zomer… Dan was het: “Brrr, koud. Gaan we naar de Kat in de Wijngaert?” Dan zat ze de hele dag in de Kat in de Wijngaert.”
Tommie: “Ik heb heel veel voor jou verkocht hè, vergeet dat niet!”
Uiteindelijk ben ik zelf ook gestopt op de markt. Ik kwam een advertentie tegen met ‘oppas gezocht’. Ik heb toen eindelijk met kinderen gewerkt bij zeven verschillende gezinnen. Met mijn 70ste ben ik ook daarmee gestopt om voor Tommie te zorgen, die toen heel ziek werd. En nu zijn we zoveel mogelijk aan het genieten van samen zijn en van het leven. Veel reisjes enzo naar Spanje en Zwitserland.
Tommie: Wij zijn maandagmorgen altijd in ’t Monumentje. Ik help dan een vriendin op de markt met verkopen. We drinken eerst een kopje koffie hier.
Nana: Ik heb hier dan een soort audiëntie want die komt en dan weer die.
Tommie: We zijn hier best wel veel. Soms één keer maar soms ook vier keer in de week. Als we boodschappen gaan doen, toch nog even langs ’t Monumentje.
Nana: De diversiteit van mensen en het beleid, hoe de dingen hier gedaan worden vind ik heel fijn. Er wordt je niet de hele tijd gevraagd of je nog wat wil hebben maar je moet je drankje gewoon zelf halen. Dat is echt ’t Monumentje.
Tommie: Ik vind het een soort thuiskomst hier. En ik vind het ook leuk, het gemêleerde publiek.
Nana: We komen hier al langer dan twaalf jaar, zolang woont Tommie al in de Westerstraat. Maar daarvoor kwamen we hier ook al.
We zijn nooit zo van de alcohol, maar echte koffiedrinkers. Cappuccino, zwarte koffie en Tommie vaak ook tomatensap.